HISTORIE ZINKFABRIEK

De broers Lucién en Emile Dor, uit de plaats HUY in het Franstalige Luikse gebied, waren in 1890 op zoek naar een  geschikt gebied om een zinkfabriek te ontwikkelen. Vader Dor, was als directeur van Vieille Montagne bekend met de zinkindustrie in België, maar omdat België verzadigd was van vervuilende industrie waren de gebroeders  genoodzaakt uit te wijken naar Nederland. Zij vonden, na omzwervingen, een geschikt gebied in Budel.    

Lucién                                                                                                                                                                                                                        Emile

                   

Oorspronkelijk, vóór 1892, bestond dit geschikte gebied in Budel uit heide, moeras, riet, water en alles wat dit beeld compleet maakt. Het was bekend onder de naam “Schooter Hei”. Toen de gebroeders in 1892 aanklopten bij het gemeentebestuur van Budel vonden zij al snel gehoor en werd besloten tot de verkoop c.q. koop van 568 ha. grond. Dat kwam ook de gemeente goed uit want ze zaten al enige tijd diep in de schulden. De motivatie voor dit gebied werd o.a. bepaald door de aanwezigheid van aan- en afvoermogelijkheden via kanaal en spoor, voor grondstoffen materialen en productie. Daarnaast bood het gebied voldoende ruimte voor de negatieve consequenties van een thermische zinkfabriek. Ook de werkloosheid in de omgeving gaf voldoende zekerheid voor het aantrekken van arbeiders.

Nadat de koopovereenkomst voor de “Kempense Zinkmaatschappij” was getekend werd meteen begonnen met irrigatiewerkzaamheden, aanleg van wegen, aankoop van bouwmaterialen en het zoeken naar geschikt personeel. De leidinggevenden werden gevonden in het geboortegebied van de gebroeders, het Luikse gebied in Wallonië. De taal die door deze categorie personen gesproken werd was dan ook de Franse taal, en daar werd, zoals gebruikelijk in België, moeizaam afstand van genomen. Dat maakte de communicatie wel lastig maar met handen en voeten werd een en ander duidelijk gemaakt. In 1894 waren de bouwactiviteiten  al zover dat de eerste ovens onder vuur ging, een fabriekskapel voor het geestelijk welzijn in het kantoorgebouw werd ingericht, de eerste woonhuizen gereed waren en het plan voor de bouw van een dorp en “Hotel Sint Joseph” was gestart. Het gemeentebestuur gaf in dat jaar het gebied de naam Dorplein en in ras tempo ontwikkelde de zinkfabriek en het dorp zich als één geheel van belangen. In 1900 was “Hotel Sint Joseph” klaar en werden Franse zusters uit de orde van Carolus Barromeüs aangetrokken om de regie over deze “Cantine“ op zich te nemen. Zij hadden een eigen klooster in dit kolossale gebouw, inclusief kapel. Hun opdracht was om de arbeiders van de fabriek op te vangen en te ondersteunen/begeleiden tijdens hun vrije tijd. De werktijd van deze arbeiders  bestond uit  12 uur op en 12 uur af, en dat 6 dagen per week. Ruim 200 kamers waren voor hen beschikbaar. Ze kwamen uit de wijde omgeving, terwijl de wegen en vervoersmogelijkheden nog zeer beperkt waren. Vandaar…… Het voorzieningenpakket in het gebouw bestond uit slaapkamers, ontspanningslokaal c.q. eetzaal, centrale keuken, café, school, wasserij, bakkerij, winkel, ziekenboeg en de kapel voor de bewoners van het dorp in het kloostergedeelte. Zoals vermeld was al in 1894 een fabriekskapel ingericht zodat iedere arbeider kon voldoen aan de “Zondagsplicht”. Het geestelijk welzijn werd zeer hoog aangeslagen. Een rector was in dienst van de Zinkfabriek en had in eerste instantie ook zijn vaste verblijf in de Cantine.

 

 

De bouwactiviteiten voor zowel de fabriek als het dorp werden in rap tempo voortgezet naar het plan van Emile Dor. Het aantal zinkovens was in 1900 al gestegen tot 16. De woonhuizen verschenen als paddenstoelen uit de grond. De ligging van de woningen was zodanig ingeplant dat men zo weinig mogelijk last van de dampen ondervond, maar toch………

Dat de ambities van de gebroeders Dor veel breder lagen dan een zinkenclave in Dorplein mag blijken uit het Russische avontuur. Met name Emile Dor had wereldwijde bekendheid gekregen met zijn volledig nieuwe zinkproductiemethode onder de octrooinaam; “Dor-Delattre-oven”. Daarnaast ontwikkelden zij op gebied van energie  een elektrische centrale naar de meest moderne ideeën. Alle gebouwde woningen hadden toen al elektrisch licht en verwarming.

 

 

Zij werden gevraagd voor het ontwikkelen van een  zinkbedrijf dat zijn energie onttrok uit waterkracht vanuit het Kaukasusgebergte. Ze reisden met de trein via Moskou (waar ze ter Kerke gingen) naar Vladikavkaz  en hadden daar een woning met bewakers ter beschikking. (zie onderstaande foto) Voor de belangen in Dorplein werden de honneurs waargenomen door een neef van de gebroeders, Maurice Dor. Ze reisden regelmatig op en neer. Uit foto’s en info is op te maken dat ze ter plekke een grote elektrische waterkracht-centrale bouwden en plaatsten in het  bewoonde gebied overal elektrisch licht, tot volle verbazing van de bewoners. Hoe aan dit avontuur een einde is gekomen is een goed bewaard geheim gebleven, maar geruchten wijzen richting corruptie en politiek.

 

Het aantal aandeelhouders in de NV was groot en de opbrengsten logen er niet om. In de gouden twintiger jaren ontstond een conflict met de fiscus  i.v.m. wel of niet uitgekeerde dividenden. Het gevolg was dat beide Dor’s het land verlieten. Emile verhuisde naar Luik en Lucién vond zijn woonplek in Brussel. Lucién gebruikte vanaf toen als hij in Dorplein verbleef enkele kamers in de Cantine. De onderlinge verstandhouding tussen Lucien en Emile stond al langer onder spanning, wat zijn oorzaak vond in de afgesproken taakverdeling. Toen het dorp en zijn voorzieningen gerealiseerd waren wilde Emile zich ook bemoeien met de fabriek en de technische voorzieningen. Dit leidde uiteindelijk tot een finale breuk tussen de broers. Emile bouwde een Zinkfabriek in het Belgische Rothem, distantieerde zich grotendeels van Dorplein maar bleef wel aandeelhouder van de KZM. Echter, ook toen ontstond een tijd dat de markt instortte, met name tijdens de oorlog 1914-1918, de daaraan voorafgaande en daaropvolgende periode. Nederland viel onder de neutrale status, maar de economie en handel stagneerden. Vele ovens bij KZM lagen stil en de ca. 1200 arbeiders dreigden werkloos te worden. Daarom werd een gedeelte van het KZM grondgebied ontgonnen om er een landbouwgebied te ontwikkelen. Een grote boerderij werd gebouwd en gereedschap, machinerieën + paarden werden aangeschaft. 

Voor de toekomst  van een van de zonen van Luciën Dor, Felix, werd een bessenveld (in de volksmond “béreveld”) ontwikkeld, waarin ook kersenbomen en kippen vertegenwoordigd waren. Om dat totale plan te realiseren waren veel handen nodig van werkloze KZM arbeiders en plaatselijke bewoners. Daarnaast vonden Belgische oorlogsvluchtelingen hier werk. Deze laatste groep had een onderkomen in het in 1916 ontwikkelde interneringskamp Budel. Het lag (en ligt nog steeds) aan de linker kopkant van de St. Jozefstraat in Dorplein. Wel is het in een latere fase verbouwd en zijn het nu volwaardige woningen. De economische crisis is eigenlijk tot na de 2e wereldoorlog blijven bestaan. Het “béreveld” is rond 1930 al gestopt omdat de prijzen verliesgevend waren en Felix Dor verongelukt was met zijn motor.  De graanteelt verliep winstgevend en heeft tot het einde van de 2e wereldoorlog bestaan. Ook heeft men nog alternatieve gewassen willen telen, o.a. tabaksplanten, maar de rook die er vanaf kwam deed denken uit de uitstoot van de fabrieksschoorstenen. Toch had Charl Brock tot lang na de oorlog surrogaat sigaretten van deze makelei in de verkoop.

 

Foto: binnenplein van het interneringskamp.

 

De directieopvolging had inmiddels plaatsgevonden. In 1933 werd de oudste zoon van Luciën Dor, André, directeur. Zijn vader had een directeurswoning laten bouwen waar ze na de trouwdatum in 1926,  hun intrek in namen. Er volgden moeilijke tijden voor de Zinkfabriek. Crisis en daarna de 2e wereldoorlog waarin de zinkfabriek uiteindelijk helemaal tot stilstand kwam.

 

 

Frans Dor is in 1936 met zijn vrouw vanuit Brussel naar Dorplein gekomen om een huis te bouwen en werkzaam te zijn in het KZM fabrieksdorp. Zij vonden onderdak tijdens de bouwperiode van 2 jaar in de directeurswoning bij André. Het huis kreeg de toepasselijke naam “Korenveld”. Het lag ook letterlijk midden in het korenveld. Frans kreeg de functie van directeur voor de dorpsbelangen, inclusief onderhoud, en voelde zich daarin helemaal thuis. Later is nog een zoon van Luciën bij KZM in dienst gekomen; Luciën jr. in de functie van veiligheids beambte. Hij woonde in een luxe villa  aan de Hoofdstraat. Lucién Dor sr. woonde in die tijd met zijn vrouw in Brussel in een monumentaal ambassadegebouw met wel 100 kamers. Zijn zoon Christian kwam er regelmatig toen hij daar studeerde. Lucién sr. is in 1941 daar overleden en ligt samen met zijn echtgenote Angéle Fallon begraven op de begraafplaats in Dorplein.

 

 

Tijdens de 2e wereldoorlog is ook Dorplein stevig betrokken geweest bij deze ellende. Met name in de laatste fase, tijdens de aftocht van de Duitse troepen. Verzetsstrijders uit o.a. Dorplein lieten een trein met, wat zij dachten, vijandige troepen ontsporen. NSB’ers zorgden er vervolgens voor dat een razzia werd gehouden en 6 personen op beestachtige wijze werden vermoord. Voor deze gevallenen werd een erebegraafplaats ingericht op de plek die in oorsprong gereserveerd was voor een Dorpleinse parochiekerk.

 

 

Na de bevrijding in 1944 is de KZM successievelijk herstart. Dat heeft wel veel voeten in aarde gehad. Alle ovens moesten opnieuw worden opgebouwd, grondstoffenaanvoer worden geregeld enz. Maar het was een grote uitdaging voor “Meneer André” Dor om dat in de kortst mogelijke tijd te realiseren. Alle hands aan dek was het devies. Binnen de kortste keren waren alle ovens weer onder vuur en was de productie winstgevend. Mede dankzij het Amerikaanse Marshallplan konden vele verbeteringen en uitbreidingen worden gerealiseerd, o.a. zwavelzuurbereiding en cadmiumfabriek. Vrij snel werden nadien de zinkoven omgebouwd tot gesloten ovens met veel grotere “moffels”, dus hogere capaciteit. Vanwege de hoge metaalprijzen konden veel projecten gerealiseerd worden. De werkplaatsen werden volledig gemoderniseerd. In de Cantine werd de ontspanningsruimte omgetoverd tot een uniek theater en de Dorpleinse bevolking kreeg een eigen kerk. Meneer Andre zat niet stil en zijn vernuft zorgde ervoor dat veel verbeteringen werden uitgevoerd, met name ten behoeve van de kwaliteit van de geproduceerde zink. Daar werden in de toepassing steeds hogere eisen aan gesteld en was dus noodzakelijk voor de markt. Ook voor het personeel werden betere omstandigheden gecreëerd. Denk aan laad- en losmachines, dor-menger enz. Niet alleen meneer Andre was hier mee bezig, ook een aantal kundige ingenieurs die met hem meedachten en ontwikkelden. Het gebeurde regelmatig dat André midden in een (denk)nacht naar de KZM ging omdat hij een of ander idee ter plekke wilde bekijken en er vervolgens mee aan de slag ging.

 

 

De directie-opvolging van de zink moest in de jaren 50 geregeld worden omdat wel duidelijk werd dat het sterk vervuilende thermische proces moest worden vervangen door een zinkelektrolyse. Hubert Delhaise maakte inmiddels deel uit van de directie en werd door de raad van commissarissen wel genomineerd als een geschikte opvolger. Alles werd in het werk gesteld om de continuïteit van de “Kempensche Zinkmaatschappij” te waarborgen. In 1965 werd Delhaise benoemd tot algemeen directeur en Frans Dor tot mededirecteur. Dat laatste had weer te maken met de aandeelhouders verhouding. Hubert Delhaise had blijkbaar een stevig ontwikkeld lange termijn plan. Er voor zorgen dat de winsten zo hoog mogelijk stijgen en vervolgens partners zoeken die in staat zijn om te participeren in het bouwen van een nieuwe elektrolysefabriek. KZM alleen was daartoe niet in staat, dat was duidelijk. De hele organisatie was vanaf toen hierop gericht.

 

 

De ovens werden in deze tijd gestookt met zware stookolie. Lekker goedkoop, maar de tonnen olie die per dag in vlammen opgingen bevatten ca. 3 % zwavel en andere vervuilende stoffen. Met gevolg dat de flora in de omgeving totaal naar de knoppen ging. Maar er gloorde licht aan de horizon. Het aardgas dat gevonden was in Slochteren kon gedeeltelijk ten goede komen aan energie grootverbruikende industriële bedrijven. Delhaise ging vervolgens het politieke spel aan en kreeg voor een zeer lage prijs  een portie gas waar jaren van geprofiteerd is. Op gebied van grondstoffen werden grootschalig zinkresiduen (afvalzink) opgekocht uit heel Europa en met name Oost-Duitsland, tegen spotprijzen. Verwerken hiervan kon alleen via thermische ovens die steeds minder ter beschikking waren. De “troep” werd door “tunnekeskappers” bewerkt om er zuiver zink voor terug te verdienen. Ook het onderhoudswerk en aanpassingen werden alleen uitgevoerd als het een bedreiging vormde voor de continuïteit van de zinkproductie. De vervuiling nam toe en de menselijke factor, met name in de productie, werd er niet beter op. Een zeer frustrerende tijd voor diegenen die bescherming van de menselijke factor serieus wilden nemen, maar op een lager niveau geen poot aan de grond kregen...

 

Maar …………….de goudpot werd steeds groter. Er werden pogingen ondernomen om partners te vinden via o.a. Ketjen, Akzo, Billiton, Shell en toen was het zover. In 1965 werd de eerste stap tot samenwerking gezet. In het gezamenlijk belang met Organon werd een fluorwaterstof fabriek gebouwd om freon te produceren. Het was een zeer gevaarlijk goedje. Later bleek dat aantasting van de ozonlaag veroorzaakt werd door deze fluorchloorkoolwaterstof. Dus is vervolgens na lang zoeken en eindeloos discussiëren wereldwijd gestopt met deze productie. In 1967 bestond KZM 75 jaar, dat op grootse wijze gevierd werd. Er werd een grote feesttent aan de Peel geplaatst en iedere werknemer kreeg F. 400,00 “feestgeld”. Het festijn duurde 3 dagen waarbij het bier niet was aan te slepen en iedereen na afloop met kleine ogen in zijn nest kroop om de volgende dagen nergens aanwezig te zijn.

 

Foto: toespraak alg. directeur H. Delhaise tijdens  de feestelijke opening van het 75 jarig jubileum.

 

De plannen voor nieuwbouw van een zinkelektrolyse werden concreet gemaakt. In Utrecht werd een ontwikkelingsbureau gestart waar ook hoogopgeleiden van de KZM naartoe gingen. Ook het opleidingstraject werd gestart bij het KZM opleidingscentrum en er werden trainingsbezoeken gebracht aan elektrolysebedrijven in Balen (B) en Det Norske in Noorwegen. In 1971 werd begonnen met grondwerk, vlak achter de bestaande gebouwen van de thermische ovens. Wat ze daar tegenkwamen veroorzaakte nogal wat oponthoud. Er werden putten gegraven om te zien wat er zoal tevoorschijn kon komen. Allerlei kleuren vertoonden deze “bodemschatten”. Van blauw naar groen, paars, geel, rood en veel taaie witte slik. Ik weet het nog omdat ik daar foto’s van gemaakt heb.

 

 

oktober 2016/Jac Duis